menu
F. Allan - Het Eiland Wieringen en zijne bewoners - online versie

TWEEDE HOOFDSTUK

VOORTBRENGSELEN, MIDDELEN VAN BE STAAN.
Wieringen's bodem munt over het geheel uit door vruchtbaarheid, en, ofschoon in het algemeen, de landbouw op dit Eiland nog veel te wenschen overlaat, zoo zijn deszelfs producten niettemin belangrijk te noemen. Hier en daar brengt men de rijen-cultuur in praktijk, zonder echter met de noodige zorg te bouwen, terwijl aan het behoorlijk droog leggen der lage landerijen, nog veel te doen overig blijft. Hierbij komt, dat de wegen in eenen slechten toestand verkeeren, waardoor de middelen van gemeenschap, vooral in den winter, hoogst gebrekkig zijn en dringend verbetering behoeven(1). Het is onbegrijpelijk, dat de Eilanders zelve, dit niet meer inzien, en deels uit vooroordeel, en deels ook uit nalatigheid, ten dezen opzigte zoo achterlijk blijven, te meer, daar zulks niet dan nadeelig werken kan op het geregeld schoolgaan der kinderen, en op het onderlinge verkeer. -
De voornaamste bezigheden der Wieringers zijn landbouw en veeteelt, wiermaaijerij en visscherij. Men begroot de uitgestrektheid der gras- en hooilanden op ongeveer 1,500 bunders, terwijl er ongeveer 200 bunders bebouwd worden, ongerekend de gronden in den polder Waard-Nieuwland, die, eene oppervlakte beslaande van 500 bunders, ter helft uit grasland en ter wederhelft uit bouwland bestaat, welk laatste echter tot op het vierde gedeelte zal beperkt worden.

De voornaamste verbouw bestaat in rogge, garst, haver, aardappelen en erwten; in den polder ook vlas, tarwe en koolzaad, -
De waarde der landerijen, is, gelijk elders, ook op Wieringen in de laatste jaren zeer verhoogd. De landhuren die doorgaans voor den tijd van zeven jaren worden aangegaan beloopen door elkander gerekend, voor bouwland van 40 tot 70, en voor weiland van 20 tot 40, per bunder, terwijl de koopprijs per bunder van 600 tot zelfs 1,200 varieert, al naar gelang van de meerdere of mindere vruchtbaarheid van den grond. -Moesgroenten tieren op dit Eiland zeer welig, en zoo men zich op den uitvoer daarvan wilde toeleggen, zoude zulks eenen niet onaanzienlijken tak van welvaart kunnen opleveren. Men schijnt daartoe echter weinig lust te bezitten, en vandaar, dat de tuinbouw alleen beoefend wordt, om in eigene huishoudelijke behoeften te voorzien. -
Daar Wieringen aan alle zijden voor den zeewind openligt, wordt er geen hoog geboomte gevonden. Het houtgewas tiert er echter welig, en vooral is dit het geval met de vruchtboomen, indien zij goed beschut zijn. Die althans, welke wij gezien hebben, stonden onverbeterlijk (2). De aardappelen en peulvruchten, op Wieringen's bodem gewassen, zijn van eene uitmuntende kwaliteit, terwijl de overige veldvruchten mede van eene zeer goede hoedanigheid zijn. Ook de klaver wast er uitmuntend.
De veestapel op Wieringen is mede niet onbelangrijk. Gemiddeld schat men het aantal paarden op dit Eiland op 175, benevens 900 runderen en 10,500 schapen. De varkens worden van buiten ingevoerd, en meest tot eigen gebruik gemest, van daar, dat derzelver aantal zeer afwisselend is. -
De Wieringer paarden zijn niet zeer groot, doch sterk en taai, en zeer geschikt voor zwaren arbeid. -
De runderen zijn uitmuntend en beter dan op Texel. Als eene bijzonderheid merken wij hierbij aan, dat het vee op Wieringen altijd aan eene lijn vast staat, die bevestigd is aan een in den grond geslagen paal, welken van tijd tot tijd verplaatst wordt.
Het Wieringer schapenras weegt niet tegen dat van Texel op. Zij zijn kleiner van stuk, en hunne wol is altijd lager in prijs, dan van de Texelsche schapen. -
De uitvoer van vee, vooral gedurende den winter, van gemeste runderen, is nog al aanzienlijk, maar bovenal is dc handel in schapen groot. Dejaarlijksche uitvoer bedraagt gemiddeld 200 runderen, 1,000 oude schapen en 5,000 lammeren, terwijl in 1853 de uitvoer van sehapenkaas 8150 N. fl. en van schapenwol 16,898 N. fl. bedroeg. -
De uitvoer van schapenkaas vermindert echter zeer, aangezien men zich ook op Wieringen meer en meer begint toe te leggen op het maken van de gewone Noord-hollandsche kaas, dat vrij goed schijnt te slagen. - Verschijnselen van longziekte zijn hier tot nog toe niet waargenomen.-Eene andere, hoogst belangrijke tak van industrie voor dit Eiland, is de wiermaaijerij (3).

Men maait de wier in de maanden Junij, Julij en Augustus, even als het gewone gras, op de waarden, die met de ebbe op n voet of een half voet na droog vallen. Men begint met half ebbe te maaijen, en heeft dan hooge laarzen aan, die tot aan het midden des ligchaams reiken. Het gemaaide wier wordt daarna in schuiten geladen, vervolgens op wagens overgeladen zijnde, op het land uitgestrooid en vooral aan den invloed der zon blootgesteld, waardoor voornamelijk de zoutdeelen er uittrekken, Na verloop van ongeveer veertien dagen, brengt men het gedroogde wier in sloten met zoet water, om gedurende een tiental dagen te ververschen. Hierna wordt het opgehaald, en op het land gestrooid, waarna men het uit elkander pluist, en, nadat het goed droog is, tot balen van p. m. 100 kilo, zamenpakt, om naar Amsterdam, Rotterdam, zelfs naar Belgi en het noordelijke gedeelte van Frankrijk uitgevoerd te worden.
Het losgeraakte, niet gemaaide wier, wordt opgevischt en veelal aan den zeedijk van het Eiland gebruikt, waartoe het door zijne pakking en blijvende veerkracht zeer geschikt is.
De gronden waarop de wiermaaijerij plaats heeft, zijn den eigendom van den Staat en worden verpacht, terwijl de Eilanders vergunning hebben wier te maaijen, op voorwaarde, dat zij de door hen gemaaide hoeveelheid aan eene compagnieschap afstaan, die het in den handel brengt. Wieringen heeft in dit opzigt veel te danken aan zijnen Burgemeester, Mr. J. VAN HENGEL, die door zijne bemoeijingen, dezen, grootendeels vervallen, tak van industrie wist op te beuren. - Ongeveer 200 personen houden zich jaarlijksch met de wiermaaijerij bezig, welker opbrengst gemiddeld op 18 19 duizend gulden 's jaars wordt geraamd. Ten jare 1853 werden er 325,000 ponden, ad 6 per 100 p., wier uitgevoerd. -
Het wier wordt, behalve aan de zeeweringen, gebezigd tot het dekken van huizen, het vullen van matrassen, kussens en bedden, het stoppen van lekken in schepen, als meststof, enz., en zoude welligt tot meerdere einden, welligt ook ter vervaardiging van papier, aangewend kunnen worden. -
Alhoewel men op Wieringen zich niet bepaald toelegt op eigenlijke zeevisscherij, zoo beijveren de Eilanders zich toch op het vangen van paling, waartoe zij, gedurende den zomer, een duizendtal fuiken, en des winters, bij open water, den elger bezigen. Dit laatste behoeft welligt voor enkele onzer lezers eenige nadere opheldering. -
Bij open winters gaan eenige personen in eene zeilschuit. Een hunner is voorzien van een ijzeren werktuig, elger genaamd, dat aan eenen langen stok bevestigd is, en bestaat uit eene soort van vork, met veerkrachtige nijptanden. De visscher houdt dit werktuig onder het zeilen zoodanig, dat de tanden door de slijk slepen, en de paling daartusschen bekneld wordt. Op deze wijze kan de vangst soms zeer aanzienlijk wezen. Een getal van 40 50 schuiten wordt tot deze visscherij gebruikt. - De visscherij in de binnenwateren levert bijna niets op.
Voor beminnaren van de jagt, biedt Wieringen een geschikte gelegenheid aan. Het jagtveld levert hazen, snippen, lijsters, eenden, ganzen, talingen, knobben, en, gedurende gestrenge winters, ook zwanen op. - Het aantal eendekooijen, dat vroeger grooter was, bedraagt thans drie.


(1) Naar wij vernemen, bestaat er vooruitzigt op den aanleg van schelpwegen op het Eiland Wieringen. wij wenschen hartelijk, dat de Wieringers spoedig bevrijd mogen worden van die onaangename zandwegen.

(2) In den fraaijen en welvoorzienen tuin van den Heer Burgemeester, Mr. J. VAN HENGEL, zag ik eenen appelboom, die geplant werd den 1 April 1847. Den 1 Augustus van dat jaar, leverde bij de eerste vruchten, 60 in getal; den 1 November, plukte men voor de tweede maal de vruchten, ten getale van 80, terwijl deze zelfde boom in December daaraanvolgende op nieuw in vollen bloei stond. - In 1848 was de boom weder vol. - In den boomgaard van den Heer D. KOORN, te Hypolitushoef, zag ik op een veld van 120 roeden, een 70 tal vrachtboomen staan, waarvan de meesten, (5 of 6 uitgezonderd) als met vruchten bedekt waren. Inzonderheid was dit het geval met de jutten- en dirkjesperen.

3 Wier is een zeegras waarvan men wil, dat Wieringen (oudtijds Wirom, Wiron) zijn naam ontleent. "Wier, bij de Latijnen Alga genaamt, is een zeekruit, dat in zoute zeewateren, op hooge slikken en verdronke waarden en Landen zijne wortelen schiet, en boven het gemeene water zijn loof, en dradige takjes of spruitsels vertoont, en de zee alomme als een grasrijke weide voor onze oogen verbeeld. Oudtijds wierd het, als onnut tot eenig gebruik, aangezien, noemende de Latijnsche Lierdichter HORATIUS hetzelve Od, 17, lib, III, Alga Inutilis, onnut zeegras, zoodat men bij de Latijnen, eenige geringe, en niet noemenswaardige zaak willende te kennen geven, en beteekenen, tot een spreekwoordt zeide: Vilior Alga, Slechter dan wier. (Zie denzelven Dichter lib. II, Serm. Satyr. v.) Maar hedendaags is hetzelve, voornamelijk in deze leege Landen, daar men van Duinen ontbloot is, en de zee met Dijken moet afkeeren, in groot gebruik gekomen, en wordt voor de beste stoffe gehouden, om op onze lichte en veenige gronden eenige Dijken te vestigen, pakkende het wier zoo vast in elkaar, als de allerveste kleijaarde, waardoor de zeegolven, daartegen slaande, door de gladdigheit van de wier daar weder afrollen. Zoo. dat meenigmaal bij de Staten van den Lande, Plakkaaten en Ordonnantin op het visschen en ophaalen van de wier gemaakt zijn." (Toon. der Ver. Ned. door Halma.)

© Pagowirense.nl 1997-2007
naar begin van pagina
Kixtart.nl ||| start / English | geschiedenis | legendes | oude foto's | dorpen | volkslied | links | zoeken